Weten wat er leeft in de straat
Inverdieneffecten. Kent u dat woord? Het is jargon dat beleidsmakers graag in de mond nemen. Maar het kan op iets belangrijks wijzen, namelijk dat een investering zichzelf ruimschoots terugverdient. Volgens Clémence Ross van het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) zouden bijvoorbeeld gemeenten daar veel alerter op moeten zijn.
In september publiceerden we een interview met de directeur van NISB. Daarin kwam naar voren dat zij kritisch is over het beleid van de huidige regering. In deel twee spreken we verder over de rol van onder andere gemeenten bij het stimuleren van bewegen en het verbeteren van de gezondheid.
Overigens gaat dat inverdieneffect ook op voor het bedrijfsleven, getuige de symbolische opening van de beurs door Clémence Ross op 3 januari. Alleen heet het dan return on investment. Volgens NISB zou de BV Nederland 380 tot 930 miljoen kunnen verdienen op ziekteverzuim als meer medewerkers gaan sporten en er een gezonde leefstijl op na houden.
Wezenlijke beïnvloeders
Terug naar de gemeenten en de jeugd, die voor het NISB speerpunt is. De meest effectieve preventie van gezondheidsproblemen begint toch bij hen. Ross maakt zich er zorgen over:
Ross: “Als je kijkt naar de gezondheidstoestand van de jeugd, dan is dat wel zo serieus dat je daar actief moet ingrijpen. Te weinig bewegen, overgewicht. Daar zal je de ouders in moeten meenemen, want dat zijn – met de school – de meest wezenlijke beïnvloeders.”
“Vanuit onze missie zijn we gehouden om zoveel mogelijk kennis te ontwikkelen die het verschil kan maken, die lokaal kan worden ingezet, want het gebeurt in de straat waar je woont. Hoe verleidt je jeugd tot ander gedrag? Wat is de invloed van het niet-bewegen op hu schoolprestaties? Want daarmee kun je andere partijen overtuigen hier wat aan te doen.”
Bij het stimuleren van bewegen in de buurt is de rol van de gemeenten aanzienlijk. Gemeenten die ook hebben te maken met bezuinigingen, een mindere economie en toch meer moeten doen met minder geld. Dat geeft een verstoorde balans, maar gemeenten kunnen sommige dingen ook beter doen.
“Wat eigenlijk heel jammer is dat nog niet alle gemeenten op de hoogte zijn van de inverdieneffecten van goed sport- en leefstijlbeleid. Je hoeft dan minder meer uit te geven. Bijvoorbeeld door een aanpak als met WhoZNext. Dat is een aanpak waarbij jongeren, zelf sportactiviteiten bedenken die aansluiten bij wat zij leuk vinden. Daardoor zijn die activiteiten ook drukker bezet en succesvoller. Een ander traject is Coaches 16-21 jaar. Jongeren die eerder soms werden gezien als overlastgevend, krijgen daar verantwoordelijkheid om sportactiviteiten in de buurt op te zetten, onder begeleiding van een ervaren kracht. Daardoor wordt hun rol in de buurt ook ineens positiever.”
Geen softe business
“Het is nog onvoldoende bekend dat die resultaten echt grote inverdieneffecten kunnen hebben. Dat is geen softe business! Het zijn keiharde resultaten die je kunt halen: activeren op positieve manier, gezondheidswinst, sociale samenhang vergroten in een wijk. Maar wel doen op een manier die geprobeerd is, die effect heeft.”
Een concreet voorbeeld daarvan geeft Clémence Ross aan de hand van de veelbesproken gemeentelijke verantwoordelijkheid voor jeugdzorg en -hulpverlening.
“Een uithuisplaatsing van een jongere is bijvoorbeeld erg duur is, wel €100.000 per jaar. In sommige gevallen kan je met een speciaal sportprogramma veel meer bereiken. Dan kan bijvoorbeeld een programma met kracht- en vechtsporten enorm helpen om innerlijke onrust te bestrijden, zelfvertrouwen geven, gericht bezig met negatieve energie. Begeleiding en zorg leveren dan echt geld op.”
Gemeenten hebben er dus financieel erg veel aan om dit te doen, maar de politieke cultuur kan in de weg staan.
Ross: “Dit onderwerp kun je eigenlijk in de lokale politiek niet zelf claimen. De sportwethouder moet zijn succes delen met de wethouder die over de WMO of het onderwijs gaat. Dat is niet de sterkste kant van politici, die willen toch ergens hun vlaggetje in kunnen steken. Waarom zou ik ergens geld insteken en de ander daarvan laten profiteren?”
Daarin ziet zij overigens wel verbetering. Steeds meer gemeenten, wethouders en bestuurders gaan programmatisch samenwerken.
“Daardoor weten wethouders steeds beter dat wat zij doen ook effect heeft op het beleidsterrein van een ander. Zodat ze daarin meer samen optrekken. Een gemeente als Enschede vind ik bij uitstek een gemeente die dat goed doet. Een actieve leefstijl, sport en bewegen zijn zaken die alle domeinen raken, die niet exclusief zijn voor één beleidsterrein. De wethouder financiën zou moeten kunnen aantonen wat het hem oplevert en dat is steeds beter mogelijk.”
Combinatiefuncties: Goede praktijk niet doorkruisen
Een andere landelijke ontwikkeling is de komst van de combinatiefuncties, waarin bijvoorbeeld GGD medewerkers als organisatorische spil moeten gaan optreden tussen school, gezin en goede leefstijl bevorderende activiteiten en sportmogelijkheden. Het NISB werkte mee aan de omschrijving van die combinatiefuncties.
Bekijk video over Amsterdamse combinatiefuncties
Wat zijn uw verwachtingen van deze combinatiefuncties?
Ross: “Het is op zich goed dat in al die domeinen waar de jeugd zich begeeft, dat daar een netwerker tussen zit die de zaak in goede banen leidt en ondersteunt. Lijkt mij fantastisch. Maar er was al een heel aantal gemeenten die al één of meerdere mensen had die dat al deden. Ik vind ook dat je de goede praktijk die er al is vooral niet moet doorkruisen. Je ziet ook dat gemeenten deze mensen soms hebben herbenoemd tot combinatiefunctionaris.”
“De bestaande goede praktijk vind je niet vanachter een bureau of op een ministerie. Je moet kijken naar wat al werkt en hoe je die mensen optimaal kunt laten gedijen. Want het is heel erg ingewikkeld om, in dat netwerk van organisaties en besturen waar je in zo’n functie mee te maken hebt, als bindmiddel te opereren. Je moet zorgen dat je het takenpakket op orde is en je niet laten overvoeren door alle ambities die er leven.”
“Wij als NISB zouden eerder geneigd zijn precies te beschrijven wat de succesformule is om iemand zo’n taak te laten uitvoeren. Vervolgens kun je zoveel mogelijk van die mensen aanstellen, maar aansluiting bij de praktijk is belangrijk. Gewoon kopiëren wat al goed werkt, daar kan je een boel van leren. Beter dan iets zogenaamd nieuws bedenken.”
“Ik ben dus blij met die combinatiefuncties als zodanig, maar Ik hoop wel dat gemeenten dat werk ook verankeren in het beleid. Als er alleen maar weer iets gebeurt, omdat er een stimuleringsmaatregel is en daarna hou je er weer mee op: dat schiet niet op natuurlijk. Alles wat het NISB doet, is gericht op het borgen in beleid. Dat het niet afhangt van personen, een toevallige regeling of een minister.”
Integraal is geen optelsom van eigen belangen
Een andere onderwerp dat al enkele jaren op de agenda staat, zijn de integrale kindcentra. Kinderen van 0 tot 13 jaar zouden daar de hele dag terecht moeten kunnen voor onderwijs, opvang, sport en spel. Het zou versnippering van de verschillende activiteiten kunnen verhelpen en werkende ouders ondersteunen.
Ross zegt hierover: “We leven in een dynamische omgeving. Alle ouders zouden moeten kunnen vertrouwen op scholen, kinderopvang als medeopvoeders. Maar dat moet dan ook echt integraal zijn. Het betekent niet dat je met zijn allen in één gebouw zit en vervolgens langs elkaar heen werkt. Dat betekent dat je wel gezamenlijke beleidskaders en opvattingen over hoe jij denkt samen het verschil te maken. Daar mogen ook best verschillen in profiel zijn.”
“Dat betekent ook dat die verschillende organisaties moeten wegkomen van hun institutionele belangen. Integraal kan geen optelsom van hun eigen belangen zijn. Het gaat erom wat je dan op het niveau van een kind, van ouders en van professionals voor elkaar wilt krijgen. Hoe gaan we dingen beter doen dan we al doen?”
Voetbalclub als buurtcentrum
“Er zijn leuke voorbeelden van. Bijvoorbeeld de voetbalclub die het integrale buurtcentrum is geworden, dat zich ook bijna commercieel kan bedruipen. In Enschede, in Richtersbeek, zit een club die eigenlijk het buurthuis van de toekomst is. Daar zijn plannen binnen die buurtvereniging om een deel van het onderwijs te doen, om maatschappelijke stages te organiseren. Ze gaan uit van de inhoud, van de gedrevenheid om mensen te helpen en niet van behoefte van instituties.
“Er zit daar een ondernemer die vindt dat dat gewoon moet gebeuren. Hij gaat met partijen aan de slag gaat en krijgt ook geld bij elkaar om dat te realiseren. Daar doen dus zogenaamd onbemiddelbare werklozen nu gewoon goed werk. Dat is een fantastisch verhaal.”
“Je moet van zo’n integraal kindcentrum eigenlijk een business case maken. Durven kijken hoe je er misschien wel minder aan uitgeeft dan meer. En belangrijk is dat je uitgaat van de behoefte van mensen, dat het mens en kind gerelateerd is, dat het geen eilandjes zijn maar echte samenwerking. Mensen moeten ook zelf enthousiast zijn dat er een integraal kindcentrum is.”
Dan komen de ervaringen van Clémence Ross als voormalig staatsecretaris van VWS (2002-2007) weer even voor het voetlicht.
“Je moet vragen wat mensen nodig hebben. Ik heb bij de WMO gemerkt dat mensen niet altijd vragen om meer zorg, maar net even anders. Daar was soms sprake van een overaanbod. Ze willen geen scootmobiel, maar gewoon een luisterend oor. Het zit vaak in simpele dingen. Belangrijk is te weten wat er op straat leeft.”













